Menu Sluiten

100 soorten: een kbv’tje

De grote voorjaarstrek is nu echt op gang aan het komen. Steeds meer overwinteraars trekken weg om plaats te maken voor de zomergasten. De aantallen kieviten en scholeksters in de polders lopen op, terwijl de meeste kolganzen er al vandoor zijn. Ook de eerste witte kwikstaarten zijn gearriveerd in de polder, dus gelijk al een soort voor op de jaarlijst!

In deze eerste periode komen ook de eerste kbv’tjes terug; kleine bruine vogeltjes. Deze overkoepelende term wordt meestal gebruikt om vogels aan te duiden uit de familie van de boszangers, de ‘phylloscopen’. Een groot deel van die vogels zijn namelijk klein en bruin, en op uiterlijke kenmerken soms moeilijk uit elkaar te houden. Daarbij verschuilen ze zich veelal in struiken of boomtoppen, waardoor ze niet altijd duidelijk te zien zijn. In veel gevallen geeft zang de doorslag tot de juiste determinatie. Een van de eerste leden van die groep die terugkeert uit de wintergebieden, is de tjiftjaf. En alhoewel het me nog niet gelukt is om er een te zien dit jaar, heb ik er wel al een aantal mogen horen. Van grote afstand is de zang te herkennen; twee of drie luide tonen van één lettergreep, bijna eindeloos herhaald.

Ook een aantal meeuwensoorten zullen zich de komende tijd weer bij de aanwezige meeuwen voegen. Zo ook de kleine mantelmeeuw, die in grote getale rond de Nederlandse kust te vinden zijn. Het goed uit elkaar houden van verschillende soorten meeuwen is soms een lastige klus. Vooral juveniele zilvermeeuwen, pontische meeuwen, geelpootmeeuwen en kleine ‘mantels’ lijken verschrikkelijk veel op elkaar. De volwassen varianten zijn gelukkig iets beter uit elkaar te houden, maar ook daar zitten soms lastige vogels bij.

Locatie is ook een belangrijk gegeven. Soorten als de pontische meeuw en de geelpootmeeuw komen bijna uitsluitend rond de kust voor, terwijl zilvermeeuwen en kleine mantelmeeuwen op veel meer plekken te zien zijn. Wanneer die laatste twee soorten naast elkaar staan, vallen een aantal typerende kenmerken goed op. Raadpleeg voor de juiste determinatie een goede vogelgids.

De zilvermeeuw (links) heeft lichtgrijze vleugels en roze poten. De vleugels van de kleine mantelmeeuw (rechts) zijn veel donkerder, en de poten zijn geel. Bij de staart hebben de beide vogels de vleugelpunten zitten, die allebei donker zijn. In vlucht is daardoor goed te zien dat de vleugels van de zilvermeeuw lichtgrijs met een zwarte punt zijn, en de vleugels van de kleine mantel bijna geheel donker zijn (zie boven).

Alhoewel ik nog geen tjiftjaf heb kunnen fotograferen, ben ik gisteren wel beloond met een ander fotomoment. Fietsend langs een rietkraag, spot ik vanuit mijn ooghoek ‘iets in het riet’. Mijn eerste gedachte is ‘het zal wel een waterhoen zijn’, maar voor de zekerheid pak ik mijn verrekijker erbij. Zeker geen waterhoen, maar een waterral! Rustig poetsend in het riet. Ik stap snel af, verschuil me achter een boom en maak wat foto’s.

En dan doet de waterral waar ‘ie goed in is, verdwijnen in het riet. Ik blijf nog even een half uurtje zitten, in de hoop dat de vogel zich ergens in de buurt toch nog een keer laat zien. Helaas, het levert niets op. Alhoewel, ik kan ondertussen even genieten van een druk brabbelend groepje putters en spreeuwen in de buurt.

Weer twee nieuwe soorten, en een waterralfoto als beloning, een prima resultaat!

Totaal aantal soorten: 77 / 100

Aantal nieuwe soorten: 2

  • Tjiftjaf
  • Witte kwikstaart